Het waren zeven jonge vrouwen in Vroenhout bij Wouw -zusjes van elkaar- die in 1271 de basis gevormd hebben van de nu nog bestaande Norbertinessenpriorij Sint-Catharinadal te Oosterhout. 

Zij wilden samen een eigen levenswijze opbouwen in de geest van de Norbertijner Orde, waarin ook vrouwenkloosters waren. Volgens een van de geschiedenisschrijvers is hun Vader Servatius, genoemd van Breda, daarom namens zijn dochters naar Laon in Frankrijk, naar een generaal kapittel van de norbertijner orde gereisd, om daar de officiële instemming te verkrijgen. Het is hem gelukt, getuige de charter van 9 oktober 1271, die nog in het bezit is van Sint-Catharinadal. Alzo luidt een van de stichtingsverhalen.

Maar de zusters moesten reeds in het jaar 1288 de nadelige gevolgen van de z.g. Sint-Aagtensvloed ervaren, en wel zo dat ze in 1295 hebben besloten om naar Breda te verhuizen. Gelukkig kregen de zusters alle hulp van De Heer van Breda, Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Elisabeth. Maar ook andere vrienden hielpen waar dit nodig was. In 1308 konden de zusters reeds een klein, precies aangepast onderkomen betrekken.

De gemeenschap werd bestuurd door een priorin, gekozen uit de eigen groep. Voor het beheer van de tijdelijke goederen, het contact met de Norbertijner Orde, maar vooral voor de ondersteuning van het geestelijk leven was er een Priester van de orde aanwezig de z.g. Proost.

Het leven van Norbertinessen heeft goede en slechte tijden gekend, zo waren er serieuze hervormingen nodig in de vijftiende eeuw. Zowel van wereldlijke zijde in de persoon van graaf  Jan I van Breda, als door paus Pius II, die in 1461 een pauselijke bul uitvaardigde. De bevestiging van de Norbertijnenorde leidde tot de belevenis van een strengere beslotenheid en meer vastendagen.

Tegenslagen bleven er komen, o.a. de ziekte de pest, waaraan 8 zusters overleden zijn in het jaar 1479. De grote brand in Breda van 23 juli 1534 veroorzaakte een grote schade aan de klooster-gebouwen. Maar ook de financiële middelen werden minder, waarom de zusters besloten een school en pensionaat op te richten, die bleven bestaan tot hun vertrek uit Breda naar Oosterhout in 1647.
Een moeilijke tijd was ook van 1566 -de beeldenstorm- tot 1795. De zusters hebben die jaren kunnen overleven, meestal door de bescherming van het Huis van Oranje. In 1644 kreeg proost Cruyt verlof van Prins Frederik-Hendrik het klooster, dat onder zijn bescherming stond elders te vestigen. In 1645 kocht proost Cruyt “seeckere omwaterde huysinghe genoempt De Blauwe Camer”. De overeenkomst die onder andere de verhuizing bevatte was ondertekend door Amalia van Solms, de gemalin van Frederik-Hendrik, en door proost Cruyt. Later heeft de Prins zelf het contract bekrachtigd. Op 15 juni 1647 vertrokken de eerste zusters naar Oosterhout.

Prinses Amalia van Solms, die duidelijk zei: “ick houd niet van nonnen en papen, maer ick heb een bijsondere faveur voor de witte Nonnekens van Breda nu te Oosterhout”, liet die “faveur” ook blijken, toen zij de proost een gouden borstkruis, met zwart email en bezet met diamanten schonk.

Toen er weer een stadhouderloos tijdperk volgde nam het “Oranjeclooster” in moeilijkheden zijn toevlucht tot de Friese tak van de Nassau’s. Prins Willem IV bezocht het klooster, evenals na hem Prins Willem V, die in 1770 een vestbrief over de erfleen van aan het Sint-Catharinadal uitgaf, zoals koning Frederik II van Pruisen al voor hem had gedaan. Zo bleven de prinsen van Oranje “protecteurs en beschermers van het clooster”.

Intussen was er in de gebouwen in Oosterhout woongelegenheid gecreëerd  door de bouw van twee vleugels. De breedste gang achter het kasteeltje werd gebruikt als kerk, waarin ook andere bewoners van Oosterhout zich thuis gingen voelen.

Maar, en er is weer een nieuwe maar, het mocht weer niet lang duren. Napoleon zette ook in onze streken de kloosterpolitiek van de revolutie door, vooral wat betreft de meer besloten contemplatieve zusters.

Daarom werd door Proost van Gennip een gebouw in de tuin van de zusters ingericht  tot school voor het onderwijs van arme meisjes. Van achter tralies gaven de zusters les, terwijl er tussen de meisjes dames voor de goede orde zorgden.

Was er in de tijd van Napoleon een voorschrift dat er maximaal 20 religieuzen mochten zijn, tijdens de regering van Willem I werd dit aantal vergroot tot 29.

En dat de zusters de moed niet verloren hadden blijkt wel uit het feit dat ze in 1816 een stenen kerkje hebben gebouwd, hun eerste echte kerk in Oosterhout. De ramen van deze kerk zijn nog te zien in de kapittelzaal. Als gevolg van het verdwijnen van veel kloosters was ook het contact van Sint-Catharinadal met de orde verslapt. Toch wisten de zusters de Norbertijnse traditie te bewaren.

De aanstelling van Proost Brouwers in 1837 was echter geen gelukkige keuze. Hij was zo gedreven om met vasten en onthouding tot het uiterste te gaan, dat ook de zusters tenslotte maar één maaltijd per dag kregen.  Toch onder leiding van Proost Martens, afkomstig van de Abdij van Tongerlo herstelde de situatie zich naar een rustig kloosterleven.

 

Doordat de eigen gemeenschap groeide, maar ook dat van de gemeente Oosterhout steeds meer mensen mee de Eucharistie kwamen vieren, werd een neogotische kerk gebouwd.

Na de Franse tijd waren de norbertijnenabdijen en de Norbertinessenpriorijen weer meer verenigd onder een algemeen bestuur van de Orde. Proost van Reeth  wist de aandacht te vragen in het generaal kapittel van 1924 voor Sint-Catharinadal, met als gevolg dat het klooster in 1928 weer herenigd werd met de Orde, als vanouds.

 

Het aantal zusters was zo gegroeid, dat in 1930 een nieuwe vleugel aan de gebouwen moest worden toegevoegd zodat het gehele kloostercomplex een carré vormt. Jammer genoeg is het een eigentijds gebouw en dus niet aangepast aan de oudere gebouwen.

De tweede wereldoorlog heeft min of meer een stempel gedrukt op het dagelijkse leven van de gemeenschap. Er waren problemen met de voedselvoorziening, die nadelige gevolgen hadden voor de gezondheid van de zusters. Een brandbom bracht er de schrik wel in, hoewel er geen  persoonlijke ongelukken gebeurd zijn. In de kelder werd nog een verblijfgelegenheid vrij gemaakt voor een aantal Fraters SCJ van Liesbosch uit Breda. Maar het gemeenschappelijk gebed kreeg en behield de algemene zorg die eigen was aan de Norbertinessen. 

Na de oorlog was het duidelijk dat de gebouwen in het algemeen niet die aandacht gehad hadden die noodzakelijk was tot behoud voor de toekomst. Een restauratie onder leiding van en met subsidie van Rijks Monumentenzorg werd als absoluut noodzakelijk beschouwd. Maar Sint-Catharinadal was niet kapitaalkrachtig genoeg en wat Monumentenzorg betreft was het een tijd van bestedingsbeperking, zodat er bij de uitvoering veel teleurstellingen overwonnen moesten worden. Voor de gemeenschap en zeker het persoonlijke en gemeenschappelijk gebed werd het een onrustige tijd.

Toch moest langzaam maar zeker aandacht geschonken worden aan bijna middeleeuwse toestanden wat betreft voorzieningen als waterleiding, verwarming e.d.. De bestaande situatie maakte de zusters niet direct ongelukkig, maar de tijden veranderden en stelden andere eisen.

De dagorde draaide geheel rond gebed en meditatie, waar de nodige tijden voor uitgetrokken werden.Bovendien was er nog het z.g. nachtofficie waarvoor de zusters om kwart voor één gewekt werden, naar de kerk gingen om soms pas om kwart voor drie de slaapkamer weer terug te zien. En om zes uur ging weer de bel voor de nieuwe dag met meditatie en gezamenlijk gebed, slechts afgewisseld met het nodige huishoudelijk werk.

Dat het normale levensonderhoud steeds grotere lasten meebracht werd ook in het klooster gemerkt. De drie radio-toespraken van Paus Pius XII (1958) voor contemplatieve zusters over dit onderwerp werden daarom met aandacht beluisterd. Doch niet met eenparige instemming beantwoord. Immers de grondgedachte was dat de besloten gemeenschappen aandacht moesten geven aan vormen van kostwinning, die uiteraard een inbreuk zouden maken op de bestaande dagorde.

Het beantwoorden aan deze oproep ging op een geheel eigen wijze. Zie bij de tekst van het Kunstatelier.

Even ingrijpend waren echter de gevolgen van het Concilie dat door Paus Johannes XXIII werd bijeen geroepen (1962-1965). De oproep tot bezinning over eigen leven werd gehoord in Sint-Catharinadal.

Vergaderingen van commissies van de Norbertijnenorde, van de Kerkprovincie en van het Bisdom werden door zusters bijgewoond. Maar ook in de gemeenschap werd  gezamenlijk veel gesproken over de eigenheid van het Norbertinessenleven met de kloosterregel van de H. Augustinus. 

Het strenge besloten leven was wel door de eeuwen beleefd en aangehouden vanuit de oude tijden, die slechts deze mogelijkheden aan vrouwelijke kloosterlingen hebben geboden. Doch door de weg naar de ware beleving van de constituties werd meer en meer de aandacht gevraagd voor St. Augustinus die in zijn tijd zijn kloosterlingen voorhield dat naast het gebed de openheid en het samengaan met mede-mensen van zeer groot belang zijn.

Het was een hele stap, maar hoewel de tralies verdwenen, de zusters op familiebezoek gingen was het een zoeken naar de juiste invulling van het leven volgens de eigen professieformule en overgave bij die professie.

Een apostolische gerichtheid naar de eigen gemeenschap en naar de mensen daarbuiten werd gezocht en gevonden in de overgang van het gezamenlijk gebed van het Latijn naar het Nederlands, maar ook in de ontvangst van gasten in groepsverband. Het samen bidden, eten en praten werd en wordt vele dagen van het jaar in praktijk gebracht met mensen uit alle streken van het land. Meestal duurt deze kennismaking met ons leven van tien uur ‘s morgen tot half vijf  ‘s middags. Zie ook “Ontvangsten”.
Deze ontwikkelingen vroegen ook nog aandacht op een ander vlak. De neogotische kerk van rond 1900 had ter versterking meerdere malen verbouwingen ondergaan.

 

 

 
Helaas werd het gebouw rond 1965 vrij gevaarlijk. Met behoud van zoveel mogelijk onderdelen van de oude kerk, kon een nieuw kerkgebouw gezet worden uitgaande van het idee van een avondmaalzaal. Met het altaar in het midden van het gebouw, voelen gasten en zusters zich één, met de Heer in het midden.

Maar een levende gemeenschap blijft zorgen houden. Rond 1978 maakte de toenmalige Commissaris van de Koningin van Noord Brabant er ons op attent dat de berging van ons belangrijk archief niet geheel verantwoord was. Na veel overleg werd hiervoor een gebouw opgezet zowel voor een verantwoorde opberging van archieven als lokalen voor de bestudering. Omdat dit gebeurde in de buurt van de keuken, kreeg ook deze een gehele opknap en aanpassing beurt waar we tot op heden nog blij mee zijn.
 

Het kon niet uitblijven, maar ook de bibliotheek vroeg aandacht. Het aantal boeken was zo gegroeid dat het besluit moest vallen een aangepast gebouw daarvoor neer te zetten, zowel voor de berging van antieke boeken, eigentijdse boeken, maar ook met rustige leesgelegenheid. In 1990 werd ook die stap gezet. De beide gebouwen van archief en bibliotheek werden in de stijl van het oude gebouw gehouden.

Als men meer ingaat op de geschiedenis van een gemeenschap, dan blijkt dat er nog veel onbeschreven is. Immers meer dan 730 jaren waren er vrouwen die aangepast aan eigen tijd en mogelijkheden een ideaal nastreefden, die soms hoge eisen konden stellen. Momenten die de zusters meestal alleen met hun Heer en God konden bevechten.

Mensen met eigen opvoeding, mensen vanuit een eigen geboortestreek, mensen met een eigen opleiding. Maar mensen die vreugde vinden en willen geven, steeds weer opnieuw door de liefde tot God en de verbondenheid vanuit God naar iedere evenmens.

Moge Sint-Catharinadal nog lang de boodschap van Jezus Christus beleven en doorgeven, zoals in het verleden, hetzij door één zuster alleen hetzij door zestig zusters samen. En dit gedragen door een blij ALLELUIA